Over mijn blog

This Blog contains personal opinions of Jacco Hoekstra and does therefore not reflect the position of the TU Delft in general. Author can also be followed in Twitter: @ProfHoekstra for interesting links a.o. related to science & engineering

Categories

Archive

Disclaimer

De meningen ge-uit door medewerkers en studenten van de TU Delft en de commentaren die zijn gegeven reflecteren niet perse de mening(en) van de TU Delft. De TU Delft is dan ook niet verantwoordelijk voor de inhoud van hetgeen op de TU Delft weblogs zichtbaar is. Wel vindt de TU Delft het belangrijk - en ook waarde toevoegend - dat medewerkers en studenten op deze, door de TU Delft gefaciliteerde, omgeving hun mening kunnen geven.

Posted in 2012

Curiosity

Op 1 mei was ik in de Cité de l’Espace in Toulouse en daar zag ik een model op ware grootte van de Curiosity Mars Rover naast alle andere Mars rovers (Spirit, Opportunity en Sojourner). Dan realiseer je je pas echt hoe groot die Curiosity rover is. Erachter draaide een mooie animatie van de missie en van de landing, zoals die gepland staat in de ochtend van 6 augustus aanstaande. Wat een ingewikkeld en mooi systeem. Ik hoop dat het allemaal werkt. Dat wordt nog spannend! 

Een mooie naam ook: Curiosity, want dat is tenslotte de reden dat we die rover sturen. Niet omdat het geld oplevert of omdat het zo’n efficiënte manier is om wetenschappelijke publicaties te genereren. Nee, om een bijdrage te leveren aan het beantwoorden van onze meest fundamentele vragen: Waar komt het leven vandaan? Zijn we alleen of komt leven vaker voor? En als op Mars leven is ontstaan, is het verwant aan het leven op aarde of los ontstaan? De antwoorden van Curiosity vormen daarbij een belangrijk stukje van de grote puzzel. Pure nieuwsgierigheid dus en niets anders. 

Net na mijn afstuderen deed ik als onderdeel van een selectieprocedure voor een ICT-baan een aantal testen waaronder een persoonlijkheidstest. De psycholoog zei in het nagesprek toen dat hij uit mijn profiel heel duidelijk kon zien wat mijn grootste drijfveer in het leven was en of ik zelf een idee had. Nee, geen idee. Het bleek nieuwsgierigheid te zijn. Dat herkende ik toch weer wel: In mijn internetloze jeugd, met slechts twee TV zenders, die alleen ’s avonds soms een BBC docu uitzonden, waren de dorpsbibliotheek, de AO-reeks en vooral de maandelijkse Kijk hoogtepunten.

Veel mensen hebben de neiging om hun eigen drijfveren te projecteren op anderen en ik ben daar geen uitzondering op: volgens mij geldt namelijk voor iedereen dat nieuwsgierigheid de voornaamste drijfveer is. We zijn niet allemaal nieuwsgierig naar hetzelfde maar toch: Is het niet zo dat nieuwsgierigheid de reden is dat je een film afkijkt, een boek uitleest of een videospel uitspeelt? En is een internetverbinding niet gewoon een informatiestroom? Is de enorme omzet van games en films en de opkomst van internet niet een bewijs van een wereldwijde niet te stillen honger naar informatie?

Voor mij is het in ieder geval de basis van mijn filosofie ten aanzien van het onderwijs: als er echt wat te leren valt en het wordt gebracht op een manier dat de nieuwsgierigheid geprikkeld wordt, dan is verplichte aanwezigheid, of een overdosis aan toetsen en in te leveren werk, niet nodig om te leren. Dan zijn studenten sponzen met een niet te stillen honger naar kennis. Die intrinsieke motivatie is niet te verslaan. Curiosity killed the cat, maar universiteiten leven ervan.

Teaching, Tables and Targets…

U heeft het misschien wel
in de krant gelezen: Halbe Zijlstra maakt prestatieafspraken met de
universiteiten. Dit is een voorbeeld van een bekende managementstijl: we spreken
targets met elkaar af en daarna wordt u daar op afgerekend. Als het goed gaat,
krijgt u een bonus of als instelling meer geld, alhoewel het in de stijl van
dit kabinet meer past om het te gebruiken voor het bepalen van de kortingen.
 

Ik heb een beetje een
ambivalente houding tegenover dat targets stellen. Aan de ene kant is het
natuurlijk goed om de wijze waarop je je doelen haalt over te laten aan de
professionals zelf. Dus dat je tegen een faculteit zegt: ik wil dat het studiesucces
verbetert maar dat je een faculteit niet gaat zeggen hoe zij haar curriculum in detail moet inrichten. Die verantwoordelijkheid laat je dan waar de meeste kennis over
het proces zit en dat lijkt me goed voor de kwaliteit.
 

Maar aan de andere kant
heeft het ook iets afstandelijks en zelf gemakzuchtigs: je kunt wel targets
stellen maar daarmee draag je natuurlijk niet echt bij aan de echte oplossing.
“Hoe heb je het onderwijs in Nederland verbeterd?” “Ik heb targets gesteld.”
“Yeah, right….” Het is ook vaak een eenzijdige selectie: alleen dat wat je goed
kunt tellen, telt. Maar je echte doelen zijn niet altijd numeriek.
 

Bovendien worden vaak “ambitieuze
targets” gekozen. Een constante groei van 20%, die dus helemaal geen constante
groei is maar eigenlijk een in de praktijk onmogelijke exponentiële groei. En
deze ambitieuze targets koppelen aan een beloning en een houding van ‘het maakt
me niet uit hoe’, kan zo maar vals spelen stimuleren. Everything counts,
nietwaar? Op deze wijze kan het zelfs bijdragen tot uitholling van de echte
normen en waarden.
 

Hoe dan ook, je ontkomt
er blijkbaar niet aan. Afgelopen LR MT-vergadering moesten wij in het kader van
deze OC&W prestatieafspraken als faculteit het volgende rijtje
streefwaarden invullen:
 

– Excellentie (= welk
percentage studenten deelneemt aan honours track)

– Uitval 1e jaar bachelor

– Studie switch (=
hoeveel studenten blijven na switch bij de TU? Moeten we daar naar streven?)

– Bachelorrendement  (binnen 4 jaar)

– Docentkwaliteit (= welk
deel vd docenten heeft de onderwijscursus gedaan)

– Onderwijsintensiteit (=
hoeveel uur zitten studenten per week op de universiteit)

– Indirecte kosten (= hoeveel
procent van de mensen is overhead)

Als TU Delft scoren wij zeer
hoog voor wat betreft onderwijsintensiteit: voor veel universiteiten ligt dit
rond de 12 uur. Bij LR is het minimaal 25 uur. Daarnaast scoren wij relatief
slecht met ons rendement, een klassiek symptoom van alle beta- en technische
studies.

Als je alleen maar naar
deze twee getallen kijkt, zou je kunnen concluderen dat hoe meer onderwijs je
geeft, hoe slechter dat voor het rendement is! In werkelijkheid zijn dit
natuurlijk symptomen van een gemeenschappelijk oorzaak: de studie is moeilijk.
Omdat het moeilijker is, halen minder studenten het. En omdat het moeilijker
is, geven we meer college en practica.
 

Die gevaarlijke verwarring
tussen correlatie (=een numeriek verband) en causaliteit (=een oorzaak-gevolg
relatie) zie je trouwens wel vaker. In kranten verschijnen dan koppen als: “als
je als kind dikker bent, word je later eerder dement.” Misschien zijn beiden
wel een gevolg van een ongezonde levensstijl of leefomgeving. Je zou op
dezelfde manier kunnen concluderen: van televisiekijken ga je dood. Immers,
bejaarden kijken relatief veel TV en overlijden vaker dan gemiddeld. Of: naar
een ziekenhuis gaan is onverstandig, ook daar gaan veel mensen dood. Dit soort
stukjes in de krant gaan vaak volledig voorbij aan het verschil tussen een
oorzakelijk verband of een verband door een gemeenschappelijke oorzaak.
 

Nu maar hopen dat de
ambtenaren van OC&W, die met onze streefwaarden aan de slag gaan, slimmer
zijn.
 

Excellent MSc education? Large demand from industry? Then shrink.

Our education Aerospace
Engineering is forced to reject more and more students as a result of the
reduction of government funding, despite the fact that industry demands more
people with an AE MSc degree.

After the numerus clausus for the
BSc, now in our master we have to take similar measures: two out of our five
MSc tracks have been capped. This means our students cannot always specialize
on the topic of their choice. The chance of succeeding is much larger,
especially with a difficult study like aerospace engineering, when you’re
motivated, so I understand the disappointment of the students. 

Unfortunately we do not have a
choice. The financial situation of the faculty does not allow hiring a
sufficient number of scientific staff to facilitate more students. If we would
not regulate the influx of the master tracks, then we would not be able to guarantee
the high quality, which would be unacceptable for us. We are known as the best
aerospace education of the western world and we want to safeguard that
reputation. The limited influx is a form of selection: only the ones who have
shown in the bachelor to have the best qualifications for succeeding in a
specific topic of a master track will be admitted in that track.

In the MSc, it currently only
affects a small number of students. A few dozen of students will not be able to
do the track of their choice. In the BSc we are talking about different
numbers: of the 600 freshmen, which we expect to register next year, almost 200
will have to be rejected.

I regard this as very strange in
a time where everybody claims that excellence and societal relevance is
rewarded. Our education has received the highest grades of all Dutch MSc
programs. And the industry demand for our AE MSc graduates is growing. There
are more potential graduates among the high school students whom we now could
have educated. Reducing these numbers will save the government costs in the
short-term but is an enormous loss for the Dutch economy in the medium- and
long-term. This type of short-sighted policies do not just lead to disappointed
students but also to an unnecessary large damage to the economy.

Excellente opleiding? Veel vraag van bedrijfsleven? Dan krimpen.

Onze opleiding Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek moet door de
teruglopende overheidsfinanciering steeds meer studenten weigeren, ondanks de
grote vraag van het bedrijfsleven naar L&R ingenieurs. Na de numerus fixus
op de bachelor, is nu de master aan de beurt: we hebben aan de studenten laten
weten dat twee van de vijf richtingen (master-tracks) een zogenaamde ‘cap’
krijgen, dat wil zeggen dat de studenteninstroom beperkt wordt. Hierdoor kunnen
master-studenten zich dus niet altijd specialiseren in de richting van hun
keuze. De kans op slagen is bij zo’n moeilijke studie als LR vele malen groter
als je een richting kunt doen waarvoor je gemotiveerd bent, dus ik snap dat de
studenten hier problemen mee hebben.

Helaas kan dat niet anders. De financiële situatie van de faculteit zorgt
ervoor dat er niet genoeg wetenschappelijk personeel aangenomen kan worden om
meer studenten aan te kunnen. Als we de instroom niet zouden reguleren, gaat
dat ten koste van de kwaliteit en dat is voor ons onacceptabel. We staan bekend
als de beste luchtvaart- en ruimtevaarttechniekopleiding van de westerse wereld
en dat willen we zo houden. De beperkte toelating is een vorm van selectie:
degenen, die in hun bachelor hebben laten zien dat zij het meeste talent hebben
voor het onderwerp van de master-track worden toegelaten.

Het gaat in de master nu nog om kleine aantallen: enkele tientallen studenten
zullen niet de track van hun keuze kunnen doen. In de bachelor gaat het om hele
andere getallen: van de 600 aanmeldingen voor het eerste jaar, die we volgend
jaar verwachten, zullen we er bijna 200 moeten afwijzen.


Ik vind dit wel wrang in een tijd waarin wordt gezegd dat excellentie en
maatschappelijke relevantie beloond wordt. Onze opleiding heeft de hoogste
beoordeling gehaald van alle Nederlandse MSc opleidingen in de laatste
accreditatieronde. En er is ook nog eens veel vraag naar onze, ook
internationaal beroemde, opleiding bij zowel studenten als het bedrijfsleven.
Er zijn meer geschikte scholieren, die wij zouden kunnen opleiden tot
uitstekende ingenieurs waar grote behoefte aan is. Hierop bezuinigen geeft op
korte termijn winst voor de overheid maar op de middellange termijn is het een
enorm verlies voor de Nederlandse economie. Dit soort overheidsbeleid zorgt
daarmee niet alleen voor teleurgestelde studenten maar ook nog eens voor
onnodig grote economische schade.

Prof.dr.ir. Jacco Hoekstra

Wat kost de langstudeerder de maatschappij?

In
het regeerakkoord worden de langstudeerders en hun universiteiten hard
aangepakt: Als studenten meer dan een jaar vertraging hebben, moeten ze als
boete 3000 euro extra collegegeld betalen, wat in totaal neerkomt op bijna 5000
euro collegegeld per jaar. Als voornaamste reden voor deze maatregel wordt
gesteld dat studenten, die langer over hun studie doen, de maatschappij te veel
kosten. Is dat wel zo?

In de discussie wordt vaak gesproken over de
langstudeerder als een luie, brallerige student die op kosten van de maatschappij
bier drinkt in de studentensociëteit. Ten eerste is dit niet de echte reden. De
echte achtergrond van de maatregel is een gewone bezuiniging. Als deze
bezuiniging niet wordt gehaald met deze maatregel, bijvoorbeeld doordat veel
studenten opeens snel gaan studeren en er geen boetes geïnd worden, zal de
bezuiniging gewoon anders worden gehaald: Het kabinet is van plan om dan de
universiteitsbijdrage van de overheid te korten met hetzelfde bedrag dat het
kabinet hoopte op te halen met het beboeten van langer studeren.

Het stimuleren van sneller studeren en beboeten van
langstudeerders is dus slechts een schijnargument, dat dient als verdediging om
deze maatregel sympathieker voor te stellen: als er iemand op moet draaien voor
ons overheidstekort, laat het dan de langstudeerders maar zijn want die kosten
ons toch al zo veel geld”.

Ook al is het dus niet de echte reden, toch hecht
ik eraan dit beeld te corrigeren, al is het maar om het daarna over de
werkelijke discussie te hebben: willen we wel nog verder bezuinigen op het
hoger onderwijs, op de toekomst van onze kenniseconomie? Ook heeft de
voorgestelde aanpak een zeer schadelijk neveneffect.

Als eerste: de langstudeerder kost u vrijwel niets,
alleen als het uw zoon of dochter betreft. Als iemand langer studeert betekent
dat meestal dat hij of zij het moeilijk vindt. Als van een vak het tentamen
niet in één jaar gehaald wordt, betekent dit een jaar vertraging. De extra
belasting voor de onderwijsinstelling is echter zeer gering: de studenten volgt
immers meestal de colleges of practica maar één keer. Het enige extra werk is
het nogmaals nakijken van een tentamen. Enige minuten werk, soms gedaan met
behulp van een onderwijsassistent of promovendus, en slechts een zeer gering
deel van de onderwijslast voor de universiteit.

Voor de onderwijsinstelling zit het verschil tussen
de belasting van een snelle studeerder en een langzame studeerder
dan ook alleen maar in de tijdlijn: de belasting wordt uitgesmeerd over meer
jaren, maar neemt in totaal niet of nauwelijks toe. Het aantal studiepunten,
dat gehaald wordt, verandert niet en dit is een betere maat voor de inspanning
van de onderwijs instelling en dus de kosten, dan hoe ze in de tijd verspreid
liggen. Universiteiten worden ook voor studenten maar gefinancierd voor het
aantal jaren dat het curriculum nominaal duurt. De studiefinanciering houdt ook
op na maximaal 5 jaar, wat de tijd is die een goede student over zijn
technische studie doet. Het langer studeren kost de belastingbetaler dus niets.

Het enige effect op de staatskas is, dat iemand die
enkele jaren langer studeert, pas later inkomstenbelasting gaat betalen en pas
één of twee jaar later zijn bijdrage aan onze economie kan leveren. Deze manier
van denken zou ook pleiten voor het aanpakken van mensen, die niet of
gedeeltelijk gaan werken, of die naar het buitenland gaan, iets wat we nu als
een onderdeel van de individuele vrijheid beschouwen. Deze manier van denken
suggereert ook dat de overheid er niet voor de burgers is maar omgekeerd. Voor
de meeste burgers is belasting betalen echter niet het hoogste doel van het
leven. En gederfde, mogelijke inkomsten is niet hetzelfde als werkelijke
kosten.

De enigen, die extra kosten hebben, zijn de ouders.
Zij zullen wel langer moeten betalen als hun zoon of dochter langer studeert.
Dit maakt het sneller of langzamer studeren dus een zaak tussen ouder en kind,
waarover zij goede afspraken moeten maken. Er zijn ouders, die het prima vinden
als hun kind wat langer doet over een moeilijke studie maar daardoor later een
betere opleiding genoten heeft. Mensen, die zeggen liberaal te zijn of het
woord vrijheid in de naam van hun partij voeren, past het niet om als overheid
hier met torenhoge boetes zo hard in te grijpen.

Wat deze maatregel zeker zal bevorderen, is dat er
minder mensen gaan studeren, nl. alleen zij die een financieel risico kunnen
nemen, maar ook dat er meer studenten zullen uitvallen. Beide effecten zijn
zeer schadelijk voor onze kenniseconomie. Het negatieve, lange termijn effect
van deze maatregel op onze kenniseconomie zal dan ook veel groter zijn dan de
op korte termijn behaalde winst voor de staatskas.

Kortom: gebruik geen ondeugdelijke schijnargumenten
over kosten van langstudeerders die er in werkelijkheid niet zijn. En bezuinig
niet op onze toekomst. Op een gegeven moment raakt de kaasschaaf de korst, dus
bezuinig niet nog meer op onze kenniseconomie.

 

© 2011 TU Delft